Mondialisering in Ahmedabad

Tientallen jaren heeft Jan Breman onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van de arbeidsverhoudingen in India, met name in Ahmedabad, de grootste stad in de deelstaat Gujarat. Bij het ingaan van zijn emeritaat als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam heeft hij de balans opgemaakt van wat zich daar, ooit bekend als 'het Manchester van India', in de afgelopen twintig jaar heeft voorgedaan. Deze uitgebreide versie van zijn afscheidscollege is te zien als een grondige onderbouwing van een eerdere publicatie, Down and out. Labouring under Global Capitalism, waarover ik eerder schreef (PS, 10 januari 2001).

Dat boek viel op door de beklemmende foto's; dit door de uitvoerig aangedragen onderzoeksgegevens. De centrale these is echter dezelfde: in India is er geen sprake van dat de ontwikkeling van arbeid en leefkansen in eenzelfde richting gaat als honderd, honderdvijftig, jaar geleden in Europa en Noord-Amerika. Daar zoog de industrialisering mensen van het platteland naar de grote steden, waar zij dankzij scholing, collectieve actie en algemene groei van de welvaart geleidelijk aan een steeds menswaardiger bestaan verwierven.

Dit proces hield een formalisering van de arbeid in: regulering van werktijden, lonen en arbeidsvoorwaarden op basis van wet en contract. De informele arbeid werd daarom altijd gezien als een tijdelijke, achterlijke sector die bij voortgaande economische ontwikkeling zou krimpen en verdwijnen. Maar het centrale thema van Breman is dat zich in India juist het omgekeerde voordoet. Het is de formele sector die krimpt en de informele die groeit. En dat gebeurt als gevolg van welbewuste politieke beslissingen, van de Indiase regering en van internationale instanties als de Wereldbank, die die regeringsbeslis singen mede afdwingen.

In de economische ideologie van de Wereldbank vormt de formele sector een kluwen van arrangementen die marktwerking belemmeren. Zulke rigiditeiten moeten verdwijnen om economische groei de ruimte geven. Een vakbond die collectieve arbeidsovereenkomsten afsluit is in deze visie een kartel; wetgeving die arbeidsomstandigheden reguleert een inbreuk op de vrijheid om naar behoefte arbeid aan te nemen of af te stoten. Een werkelijk vrije arbeidsmarkt is er een voor dagloners, die zich elke ochtend op bepaalde plaatsen in Ahmedabad verzamelen in de hoop voor die dag ingehuurd te worden.

Breman heeft uitvoerig het proces van informalisering als gevolg van de blootstelling aan economische mondialiseringsprocessen in Ahmedabad in kaart gebracht. De grote fabrieken, basis van het formele arbeidsbestel, zijn in de afgelopen twintig jaar gesloten. Degenen die daar werkten - in een drieploegensysteem van acht uur per dag - zijn op straat gezet, waar zij op zijn best onder aanmerkelijk slechtere arbeidsvoorwaarden - lager loon, geen vaste baan, geen ontslagbescherming, geen pensioenrechten, veel langere werktijden en ga zo maar door - hetzelfde werk verrichten in informele werkplaatsen. Het aangrijpendste van dit onderzoeksverslag is dat het perspectief van degenen die vroeger in de formele sector werkten vol strekt uitzichtloos is. Er is geen sprake van dat de economische groei in India met zich mee brengt dat zij perspectief hebben op een leven dat tenminste vergelijkbaar is met het overigens geenszins aangename bestaan als fabrieksarbeider vroeger. Integendeel, die economische groei is juist gebaseerd op het feit dat zij erop achteruit gaan en er op achteruit blijven gaan.

De fragmentering van grote fabrieken naar kleine werkplaatsen vormt ook nog eens een belemmering om tot gemeenschappelijke activiteiten te komen, in vakbondsverband of in een politieke beweging.

Breman laat aan de hand van zijn onderzoeksmateriaal zien wat dit alles betekent voor de uitgestoten fabrieksarbeiders en hun gezinnen. Hij wijst er tenslotte op dat de zogenaamde liberalisering en deregulering van de productie niet alleen voortkomt uit louter winststreven. Deze informalisering onttrekt het productieproces ook aan toezicht en heffingen door de staat. Die kan daardoor sociale taken als herverdeling en publieke voorzieningen niet goed meer vervullen.

Twintig jaar geleden betoogde de socioloog Immanuel Wallerstein dat in de wereld als geheel proletarisering van de arbeid nog niet veel verder dan zo'n vijftig procent van de wereldbevolking was gevorderd. Hij dacht ook dat de proletarisering - opgevat als betaling in geld voor arbeid die een huishouden in leven kan houden - veel verder zou voortgaan. Vanuit het oogpunt van kapitaalbezitters, zo redeneerde hij, was het veel aantrekkelijker om de arbeidskosten zoveel mogelijk af te wentelen op werknemers, door arbeid te informaliseren, al gebruikte hij die term niet. Bremans lange afscheidscollege en korte studie is een zorgvuldige empirische bewijsvoering bij deze stelling. Hij eindigt zijn analyse met een politieke conclusie: '(..) regulering door de overheid en beteugeling van vrijemarktwerking zijn nodig om een einde te maken aan de uitsluiting van een behoorlijk bestaan van het in vele opzichten als reserve gebruikte arbeidsleger in de informele sector.'

Als een klemmende illustratie van wat 'mondialisering van de economie' nu feitelijk inhoudt in het minder ontwikkelde deel van de wereld, is dit boek verplichte literatuur.

J.C. Breman: Op weg naar een slechter bestaan, Vossiuspers UvA, fl. 29,50

Auteur
Bart Tromp
Verschenen in
Het Parool
Datum verschijning
23-08-2001

« Terug naar het overzicht